De Muzikant

Vaardigheden
StemComputer Algoritme en procedure
StemComputer Automatisering
StemComputer Omgaan met gegevens
Totale tijd
25'
Leeftijd
4 - 5 jaar
Materiaal
Unplugged

In deze activiteit bouwen de kinderen de structuur van een liedje zelf op. Ze beluisteren een melodie en in groep voegen ze extra geluiden toe die ze kunnen vormen met hun lichaam. Via klappen, springen, stampen, … geven de kinderen  de melodie hun eigen invulling. Ze bouwen daarbij in groep de visuele voorstelling van het lied zelf op. 

Muzikanten maken gebruik van partituren om de structuur van een liedje in te vatten. Zo’n partituur bestaat uit een gefaseerd verloop en bevat een aantal algemene afspraken. Inzicht verwerven in deze fasering en in enkele van deze afspraken is voor kinderen uit een derde kleuterklas een boeiende uitdaging. 

Vaardigheden computationeel denken

  • Omgaan met gegevens 
  • Algoritme en procedure 
  • Automatiseren

Katholiek onderwijs 

  • De leerlingen kunnen de muzische bouwstenen beleven, herkennen, onderzoeken en hanteren: Muziek: structuur/vorm. (MUge2) 
  • De leerlingen kunnen tot kwaliteitsvol muzisch samenspel komen: Plezier beleven aan samen muzisch bezig zijn en muzisch samenspel - zich aanpassen aan de regels van het muzisch samenspel - bereid zijn en geduld oefenen om tot harmonisch samenspel te komen. (Muva1) 
  • De leerlingen kunnen exploreren en experimenteren in de wereld rondom zich: De wereld rondom zich speels, fantasierijk en onbevangen exploreren - bereidheid tonen om met het eigen lichaam, materialen, voorwerpen en technieken en technische systemen te experimenteren om er de mogelijkheden van te ontdekken - zich verwonderen over de mogelijkheden die men ontdekt door actief te exploreren en te experimenteren. (Ivoc2) 
  • De leerlingen kunnen logisch en algoritmisch denken: Onder begeleiding een eenvoudig algoritme toepassen om een specifieke taak op te lossen of een doel te bereiken zoals bij een bouwplan of een recept. (WDIw7)

Gemeenschapsonderwijs

  • De leerlingen kunnen eenvoudige ritmepatronen herkennen en nabootsen. (Muzische vorming 4.2.1.9) 
  • De leerlingen kunnen de maat (metrum/cadans) van beluisterde muziek ervaren. (Muzische vorming 4.2.1.11) 
  • De leerlingen kunnen met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief). (Wiskundige initiatie – Getallen 5.2) 
  • De leerlingen kunnen een patroon een rij of een reeks dingen verder zetten. In het patroon kunnen aantallen (beperkt tot vijf) en/of kwalitatieve kenmerken (beperkt tot twee gemeenschappelijke) voorkomen. (Wiskundige initiatie – De ruimte 4.1.2)

Onderwijskoepel van steden en gemeenten 

  • NVT

Verkennen van het musiceren

De kinderen beschouwen de partituren en benoemen wat opvalt. Ze beluisteren daarna het lied en reageren vrij. 
De kinderen verwoorden hoe ze muziek kunnen maken zonder instrumenten (klappen, springen, stampen, …)

Aanbrengen van de geluiden

De kinderen proberen de geluiden één per één uit.  
Telkens legt de leerkracht de lijn van de visuele voorstelling ook uit op de grond. 

Het lied samen spelen

De kinderen gaan in groepjes elk een geluid voor hun rekening nemen. Het lied wordt afgespeeld en de leerlingen musiceren mee.

Materialen

  • Blokken
    • 4 van dezelfde kleur 
    • 5 van dezelfde kleur 
    • 2 van dezelfde kleur 
    • 6 van dezelfde kleur 
  • Partituur 
  • Afbeeldingen van de geluiden

Groepering

  • Leerlingen werken in klasgroep samen.

Nuttige vragen

1) Verkennen van het musiceren 
Over het partituur 

  • Wie weet wat ik heb meegebracht? (partituren, van muziek, …) 
  • Wat staat daar op? (daar staat beschreven hoe een lied moet gespeeld worden) 
  • Wie kan dit al lezen? 
  • Hoe werkt dat dan? 

 

Over het geluidsfragmentje 

  • Waar moest je aan denken?  
  • Wat viel op?  
  • Waar zou dit muziekje bij gebruikt worden?” 
  • Hebben jullie een idee hoe je met je lichaam muziek kan maken?” 

 

2) Aanbrengen van de geluiden 

Over stampen met de voeten 

  • Wat zie je op de afbeelding? (stampen met de voeten). 
  • Hoe gaan we dus muziek maken met ons lichaam? (door te stampen) 
  • Hoeveel keer gaan we moeten stampen met de voeten? (4 keer) 
  • Hoe weet je dat? (er liggen 4 blokjes) 

 

Klappen in de handen 

  • Wat zie je op de afbeelding? (klappen in de handen). 
  • Hoe gaan we dus muziek maken met ons lichaam? (door te klappen met onze handen) 
  • Hoeveel keer gaan we moeten stampen met de voeten? (5 keer) 
  • Hoe weet je dat? (er liggen 5 blokjes) 
  • Liggen alle blokjes even ver uit elkaar? (nee, de tweede en de derde liggen dichter bij elkaar) 
  • Weet iemand wat dat wil zeggen voor ons klappen? (klap 2 en 3 gaan we snel na elkaar moeten doen) 

 

Springen 

  • Wat zie je op de afbeelding? (springen). 
  • Hoe gaan we dus muziek maken met ons lichaam? (door te springen en weer te landen op de grond) 
  • Hoeveel keer gaan we moeten springen? (2 keer) 
  • Hoe weet je dat? (er liggen 2 blokjes) 
  • Hoe liggen die blokjes ten opzichte van elkaar? Liggen die dichtbij elkaar of ver uit elkaar? (redelijk ver uit elkaar) 

 

Slaan op de dijen 

  • Wat zie je op de afbeelding? (klappen op de dijen). 
  • Hoe gaan we dus muziek maken met ons lichaam? (door te slaan op onze dijen) 
  • Hoeveel keer gaan we moeten slaan? (6 keer) 
  • Hoe weet je dat? (er liggen 6 blokjes) 
  • Hoe liggen die blokjes ten opzichte van elkaar? (de eerste twee dicht bij elkaar, dan eentje, dan twee dicht bij elkaar en dan nog eentje) 

 

3) Het lied samen spelen 

  • Welke groep begint met spelen? (De voetenstampers) 
  • Wat komt daarna? (handenklappers) 
  • Daarna? (springers) 
  • Daarna? (dijenkletsers) 
  • En daarna? (opnieuw de voetenstampers etc.) 
  • Hoe weten we hoeveel keer we moeten klappen/stampen/springen/slaan? (We tellen de blokjes? 
  • Waarvoor staat die ruimte tussen de paarse blokjes en na het tweede paarse blokje?(een rustmomentje)

Reflectie

Leerling-niveau 

  • Wat deed je om te weten hoeveel keer je moest stampen? (de blokjes tellen) 
  • Hoe wist je wanneer je geluid mocht maken? (volgen van de klasgenootjes) 
  • Was er iets wat moeilijk was? 

 

Leerkracht-niveau 

  • Wat lukte goed? 
  • Wat lukte minder goed? 
  • Waar heb je nog nood aan bij deze activiteit? 
  • Welke vaardigheden herkende je goed? Welke minder?